Overslaan naar inhoud
Filters

Veelgestelde vragen over Moeren

De moer moet dezelfde draaddiameter én dezelfde spoed hebben als de bout: een M10-moer met standaard grove draad past op een M10-bout met grove draad, maar niet op een M10 x 1,25 met fijne draad. Fijne draad herkent u aan de dichter op elkaar staande draadgangen en wordt gebruikt waar u nauwkeuriger wilt kunnen voorspannen of waar trillingen spelen. Bij twijfel meet u de diameter met een schuifmaat en de spoed met een draadmal.

Een zelfborgende moer heeft een kunststof of vervormde ring die meedraait en zo losdraaien door trillingen tegengaat — gebruik hem bij voorkeur éénmalig. Een dopmoer heeft een gesloten bovenkant: die beschermt het uitstekende draadeind en voorkomt letsel en beschadiging, bijvoorbeeld op hekwerk en meubilair. Een flensmoer heeft een geïntegreerd breed oplegvlak, waardoor u geen losse sluitring nodig heeft en de druk beter wordt verdeeld.

De moer moet minimaal even sterk zijn als de bout, anders wordt de moer het zwakke punt en trekt het draad eruit. Bij een bout in klasse 8.8 hoort een moer in klasse 8, bij 10.9 een moer in klasse 10. Bij RVS kijkt u niet naar deze klassen maar naar de materiaalsoort (A2 of A4) en de bijbehorende sterkte-aanduiding, bijvoorbeeld A2-70. Combineer bij voorkeur bout, moer en ring in dezelfde materiaalsoort om corrosie tussen verschillende metalen te voorkomen.

Vraag stellen
Privacybeleid Cookiebeleid